naar top
Menu
Logo Print

“EERST VOEDINGSSTRUCTUUR BEGRIJPEN, DAARNA PAS HERFORMULEREN"

Professor Dewettinck pleit voor minder trial-and-error bij research & development

Veel Belgische voedingsbedrijven investeren behoorlijk wat tijd en middelen in R&D, wat moet leiden tot nieuwe of verbeterde levensmiddelen. Zo'n 90% van die nieuwe producten blijft echter in de koelkast en vindt dus geen marktintrede. De reden voor dit falen? “Er zijn veel ideeën, maar veel bedrijven maken hun huiswerk niet goed", stelt professor Koen Dewettinck. Hij pleit voor meer open innovatie, met samenwerking tussen verschillende bedrijven, maar ook met de academische wereld, om zo alle bestaande kennis samen te brengen en de ontwikkelingen ook op een wetenschappelijke manier te onderbouwen.


EVEN VOORSTELLEN

Prof. dr. ir. Koen Dewettinck is de voorzitter van de Vakgroep Voedselveiligheid en Voedselkwaliteit, wat een van de zestien vakgroepen is binnen de Faculteit Bio-ingenieurswetenschappen van de UGent. Dit is overigens een van de grootste vakgroepen binnen de faculteit, wat volgens hem meteen het belang van voedingsonderzoek illustreert. Deze vakgroep maakt samen met andere onderzoeksgroepen van de UGent deel uit van het excellentieplatform Food2Know, dat al hun expertise rond veevoeding, voeding en gezondheid bundelt. Ook in dit platform vervult de professor momenteel de rol van voorzitter.

Sinds zijn benoeming in 1999 leidt hij ook een eigen onderzoeksgroep: het Laboratorium voor Levensmiddelentechnologie en -proceskunde. Daar houdt men zich onder meer bezig met het herformuleren van vooral vetrijke voedingsmiddelen.


VOEDING HERFORMULEREN

Niet overhaast

“Bij dit onderzoek vertrekken wij van de overtuiging dat we de opbouw van voedingsmiddelen en de functionaliteiten van de bouwstenen eerst ten volle moeten begrijpen, om dan verstandiger te kunnen sleutelen aan de structuur ervan", stelt Dewettinck. “Niet alleen de samenstelling van de voeding interesseert ons dus, maar ook hoe alle componenten
eiwitten, vetten, koolhydraten, water, mineralen ...
met elkaar interageren en zo de levensmiddelenstructuren bepalen."

Daarmee verwijst hij naar de R&D-diensten van veel Belgische voedingsbedrijven, waar de productinnovaties volgens hem nog te vaak op basis van trial-and-error en te overhaast gebeuren. “Bedrijven willen immers snel resultaat zien, er is meestal geen tijd om lange tijd met één onderzoek bezig te blijven", betreurt hij.


Drivers

Er zijn verschillende drijfveren te bedenken om een bestaande voedingsstructuur te herformuleren.

In de meeste gevallen liggen er gezondheidsredenen aan de basis. Het gaat dan bijvoorbeeld om de verlaging van de calorische inhoud via vetvervanging of zout- of suikerverlaging, of de drang naar 'clean label'-producten zonder additieven.

In andere gevallen probeert men ook de sensorische eigenschappen van een bestaand product te verbeteren of wil men zelfs een geheel nieuw product op de markt brengen.


Uitdagingen

Het weghalen en vervangen van een voedingscomponent is echter niet zo evident, omdat die dikwijls verschillende functionaliteiten heeft (smaak, stabiliteit, houdbaarheid ...). Daarnaast mogen we natuurlijk de wettelijke bepalingen niet over het hoofd zien.


OPEN INNOVATIE

Zoeken naar partners

Precies daarom houdt de professor graag een pleidooi voor meer open innovatie, met intensieve samenwerkingen tussen bedrijven onderling én met kennisinstellingen.

“Mijn boodschap is dat men moet zoeken naar partners in de innovatie, om zo naar duurzame win-winsamenwerkingen te streven. Heel wat bedrijven zitten te broeden op goede ideeën, maar die komen dikwijls niet ten volle tot uiting. De ervaring leert mij dat je die ideeën via samenwerking wél kunt laten landen in de praktijk. Daarvoor zijn er zeker voldoende mogelijkheden, ook op confidentiële basis", stelt Dewettinck.


Ook voor kmo's

Volgens hem is dit iets wat zowel kleine als grote bedrijven zich moeten realiseren. “De Belgische voedingsindustrie bestaat vooral uit kmo's, maar die hebben hierbij zeker geen nadeel ten opzichte van grote bedrijven. Meer zelfs: zij kunnen de kmo-portefeuille aanspreken, er zijn subsidies van VLAIO en we zien dat er vaak sneller beslissingen kunnen worden genomen in de kleinere bedrijven. Men ziet dikwijls op tegen de administratieve rompslomp van een samenwerkingsverband, maar daarin kunnen wij bedrijven zeker bijstaan", klinkt het nog.


Academische input

De input vanuit de academische wereld gaat natuurlijk verder dan dat.

“Goede ideeën hebben is één zaak, maar de wetenschappelijke expertise om die uit te voeren, is nog iets anders. Er is gebleken dat een buikgevoel dikwijls niet volstaat om te bepalen of een nieuw product een succesvolle marktintroductie zal kennen. Kennisinstellingen kunnen in kaart brengen wat er al geweten is, stellen een experimenteel proefplan op en kunnen ook de juiste onderzoekstools aanwenden. Zo kunnen zij de zaak op een wetenschappelijke manier onderbouwen, wat zeker nodig is", besluit hij zijn betoog.