naar top
Menu
Logo Print

DESINFECTIEMIDDELEN STAAN STEEDS MEER ONDER DRUK

Verslag rondetafelgesprek biociden

Voorafgaand aan de achtste editie van Quality Days in 2017, werden er weer een aantal actoren uit de bedrijfs- en de onderzoekswereld uitgenodigd voor een verhelderend rondetafelgesprek. Dit keer stond dit in het teken van biociden, die steeds meer aandacht krijgen van de voedingssector en de auditerende instanties. Wetenschappers, desinfectansfabrikanten en andere specialisten deelden hun inzichten over het eigenlijke gevaar van biociden, de wetgeving hierrond en mogelijke alternatieven voor de toekomst.


SITUATIESCHETS

Moderator Joost Buysschaert van reinigingsbedrijf Epacco opende de debatten met een situatieschets. Joost Buysschaert: “Het idee om dit gesprek aan biociden op te hangen, komt vanuit de vaststelling dat die steeds meer in vraag worden gesteld door de retail en auditors. Een verbod op quats is er weliswaar niet, maar er worden wel heel strenge eisen gesteld met betrekking tot de residuen. Daarbij vraag ik mij dan af hoe we in de toekomst op een goede manier kunnen blijven desinfecteren én aan alle eisen van klanten en controleorganisaties kunnen voldoen. En is de angst eigenlijk gegrond? Moeten we echt zo streng zijn?"


GEVAREN

Koen De Reu: “Mijn eerste reactie wanneer het gaat over residuen, is dat het belangrijk is te weten of men na de desinfectie wel goed heeft nagespoeld, tot wanneer er geen ontoelaatbare niveaus meer gemeten worden. We weten allemaal dat de basisregels van een goede reiniging en ontsmetting soms aan de kant worden geschoven door tijdsdruk, want voor een maximale productie moet dit natuurlijk zo snel mogelijk gebeuren. Soms blijven de desinfectiemiddelen op het einde van de werkdag gewoon in het pomphuis staan. Het naspoelen blijft evenwel een belangrijke stap om te vermijden dat er residuen van desinfectantia achterblijven en zo tijdens de verdere productie in de levensmiddelen terechtkomen."


Liselotte De Ridder: “Wat het eigenlijke gevaar van die residuen betreft, denk ik dat er vooral een emotioneel effect heerst dat vandaag nog maar weinig wetenschappelijke onderbouw kent. In Duitsland is er een aantal jaar geleden een probleem geweest met quats in zuivelproducten waarbij heel hoge residuwaarden waren aangetroffen. Een MRL-wetgeving over de maximaal toegestane residuwaarden was er toen nog niet, waardoor men een voorlopig veiligheidsniveau heeft opgelegd, als voorzorgsmaatregel. Dat houden auditors nu aan in hun controles. Tot op vandaag is er echter maar weinig effectief, wetenschappelijk bewijs of die waarden nu te streng of te soepel zijn. Niet alleen voor quats overigens, maar eveneens voor andere actieve stoffen, zoals amines."


Frank Devlieghere: “Hier speelt dus het Europese voorzorgsprincipe, dat het omgekeerde is van dat in Amerika: zolang je niet bewijst dat het géén probleem is, is het wél een probleem. En als we het risico niet precies kennen, dan leggen we de detectielimiet - 0,01 ppm - op als grenswaarde, in afwachting van de definitieve beoordeling. Quaternaire ammoniumzouten hebben een bewezen effect en worden dan ook heel vaak gebruikt in de voedingsindustrie, dus wordt men er vaak aan blootgesteld. Maar het is absoluut juist dat er ook naar andere actieve bestanddelen in desinfectiemiddelen moet worden gekeken."


Wouter Burggraaf: “Bepaalde retailers en certificatie-instanties zullen nu van voedingsverwerkende bedrijven eisen dat zij een geborgde residucontrole uitvoeren, maar in de BRC- of IFS-certificering staat niet vermeld tot op welk niveau dat moet gebeuren. De eisen van de retail zijn strenger dan de wettelijk opgelegde MRL's, de 'maximum residue levels'. Men laat overigens in het midden hoe die controles moeten worden uitgevoerd, en men maakt daarbij ook geen onderscheid of die residuen wel degelijk afkomstig zijn van biociden, gebruikt door het bedrijf zelf, of van pesticiden, ingezet bij de primaire productie. Bovendien zijn de huidige sneltesten lang niet gevoelig genoeg; pas bij heel hoge hoeveelheden zul je een positief resultaat hebben. Zo schieten we dus het eigenlijke doel van die controles voorbij."


Joost Buysschaert: “De werkzame stoffen in die desinfectiemiddelen moeten de achtergebleven bacteriën na de reiniging afdoden, maar een volledig steriel oppervlak is een utopie. Dit hoeven we volgens mij ook niet na te streven, hoewel de retail dat nu dus wel lijkt te eisen. De resterende micro-organismen moeten gewoon tot op een aanvaardbaar minimum worden gereduceerd. De reiniging speelt daarin overigens een belangrijkere rol dan de desinfectie, omdat die voor een grotere reductie van het kiemgetal zorgt. De reiniging moet er ook toe leiden dat al het vastzittende vuil weg is, zodat de desinfectantia daar niet mee reageren of geïnactiveerd raken, en zo hun efficiëntie verliezen.“

Lieven De Zutter: “Het gevaar bestaat er ook in dat er, net als bij antibiotica, een zekere resistentievorming van de bacteriën ontstaat bij een veelvuldig gebruik van desinfectiemiddelen. Al is er in het geval van antibiotica een ander werkmechanisme voor het afbreken van de bacteriën. Daar is er een gericht sleutel-slotmechanisme, terwijl biociden - die op zich al een samenstelling zijn van verschillende actieve stoffen en andere componenten - optreden als een sloophamer die langs verscheidene wegen en op verschillende manieren de micro-organismen aanvallen. In het geval van quats is de kans op resistentievorming al aangetoond, maar voor de andere werkzame stoffen ligt dat risico zonder twijfel veel lager dan bij antibiotica, precies door dat niet-gerichte werkmechanisme. Ook hier moeten we dus vooralsnog vraagtekens bij plaatsen."


Elodie Callens: “Hier komen we weer uit bij de basisprincipes van een goede reiniging en desinfectie. Alle actieve substanties in desinfectiemiddelen - chloor, quats, aldehyden, perazijnzuur, peroxide, alcoholen, amines, melkzuur … - hebben voor- en nadelen, waardoor ze meestal gecombineerd of gealterneerd worden toegepast voor een synergetisch effect. Als de producten op de juiste manier en in de juiste concentraties gebruikt worden, zoals vermeld op het etiket, dan mag er geen risico zijn op mutatie- en resistentievorming, en is er geen wezenlijk gevaar voor de volksgezondheid. Jammer genoeg is de praktijk inderdaad dikwijls anders."



  • Ali Qadari werkt voor de FOD Volksgezondheid op de dienst Biociden binnen het DG Leefmilieu. Hij waakt er over de uitvoering van het gesloten circuit.
  • Lieven De Zutter werkt als professor aan de Faculteit Diergeneeskunde van de UGent. Hij houdt zich bezig met levensmiddelenmicrobiologie en de overdracht van pathogenen in de vleesketen.
  • Wouter Burggraaf heeft met Burggraaf & Partners B.V. een eigen bureau voor hygiënisch ontwerp. Hij is lid van EHEDG Nederland en van het Nederlandse platform Safe Food Factory.
  • Liselotte De Ridder is verantwoordelijk voor de sales- en qualitysupport bij CID Lines. Ze is ook nauw betrokken in de schakel tussen productontwikkeling en regulatory affairs.
  • Anne Lepage behoort als microbiologe tot de technisch deskundigen van het DG Leefmilieu van de FOD Volksgezondheid. Op Europees niveau is ze dossierbeheerder werkzame stoffen.
  • Koen De Reu voert op het ILVO wetenschappelijk onderzoek uit naar onder meer biofilms en biocideresistentie. Hij is ook actief als auditor in labo's levensmiddelenmicrobiologie.
  • Frank Devlieghere is als levensmiddelenmicrobioloog bij de UGent vooral bezig met bederforganismen. Hij onderzoekt de invloed van reinigen en desinfecteren op de levensmiddelenkwaliteit.
  • Elodie Callens is als key account manager werkzaam op de divisie 'Food' bij CID Lines. Ze assisteert en adviseert voedingsbedrijven bij hun reinigings- en desinfectie-activiteiten.

WETGEVING

Anne Lepage: “De wetgeving rond reinigings- en desinfectiemiddelen focust enerzijds op de veiligheid van de mens en anderzijds op de impact op het milieu. Fabrikanten hiervan moeten aantonen dat hun producten beantwoorden aan de geldende nationale of internationale verordeningen. Concreet voor biociden is er de BPR, de 'Biocidal Products Regulation'. De gezondheidsrisico's van biociden zijn velerlei. We moeten niet alleen denken aan de consumenten die residuen in de voedingsmiddelen opeten, maar ook aan de gebruikers die - afhankelijk van de bedrijfsactiviteit - soms dag in dag uit met de ontsmettingsmiddelen in contact komen en daarbij niet altijd graag de beschermende kledij dragen, zoals nochtans is voorgeschreven op basis van de formulaties."


Liselotte Deridder: “Bij labotesten zijn de gebruiksvoorwaarden heel theoretisch opgesteld. Als we daarnaast nu ook naar veldtesten gaan, dan zullen de toelatingsacties bij de nieuwe BPR die er binnenkort aan komt, met enkele pagina's moeten worden uitgebreid. In plaats van 'grondig naspoelen met drinkwater' zullen dan bijvoorbeeld ook de hoeveelheid, de druk en de temperatuur van dat water vermeld moeten staan. Dan wordt de communicatie weliswaar duidelijker, maar het blijft de vraag of dit ook in de praktijk zo zal worden toegepast. Immers: hoe meer parameters op de gebruiksaanwijzing, hoe moeilijker die te begrijpen is. En controleer dat dan trouwens maar eens ..."

Wouter Burggraaf: “In elk geval is het zo dat wanneer een bepaalde problematiek zodanig onder de aandacht komt dat die een hype wordt, zoals nu bij de quats, je er dan van kunt uitgaan dat een auditor daarop zal focussen bij zijn volgende controle. Als kwaliteitsverantwoordelijke kun je daar dus enigszins op inspelen, door wat leeft in de markt, goed op te volgen. Hij of zij moet uiteindelijk het reinigend personeel sensibiliseren, zodat zij zich terdege bewust worden van hun activiteiten. Als je de zaken kunt visualiseren, kunnen zij beter begrijpen of ze nu goed of slecht bezig zijn; met name of ze een reinigings- of desinfectieproduct nu al dan niet juist gebruiken. Dat werkt veel beter dan een theoretische uitleg."


Koen De Reu: “Ik ben zelf auditor voor labo's levensmiddelenmicrobiologie en dat kan ik in alle eerlijkheid bevestigen. Soms is er sprake van een sneeuwbaleffect nadat auditoren met elkaar overleg hebben gepleegd. Dan letten we ineens op dingen waar we voorheen vrijwel geen aandacht aan besteedden."


Ali Qadari: “De REACH- en CLP-wetgeving voor reinigings- en desinfectiemiddelen is een Europese wet. De toelatingsprocedures van biociden zijn daarentegen nog maar deels Europees geregeld, maar daar wordt wel aan gewerkt. 2024 geldt daarbij als de voorlopige deadline, maar vooralsnog kan elk land dus zijn eigen erkenning bepalen. Om als overheid een duidelijk zicht te krijgen op de biocidemarkt in België, hebben we sinds vorig jaar voor sommige biociden een gesloten circuit ingesteld, dat voortkomt uit de BPR. Het komt erop neer dat de verkopers van die biociden minimaal jaarlijks in een onlineapplicatie moeten aangeven welke producten zij verkocht hebben - met welk toelatingsnummer - en aan wie; voor welke toepassing dus. De gebruikte hoeveelheden hoeven niet te worden vermeld. Het idee is om na de analyse van de ingezamelde gegevens concrete maatregelen te kunnen treffen. Zo zouden we specifieke opleidingsvoorwaarden kunnen opleggen aan bepaalde doelgroepen van gebruikers, wanneer bijvoorbeeld blijkt dat zij de gebruiksvoorwaarden die in de toelatingsakte vermeld staan, niet respecteren. Zover staan we echter nog niet, dit moet eerst nog intern worden uitgewerkt."


ALTERNATIEVEN

Elodie Callens: “Er zijn vandaag al tal van alternatieven voor biociden, maar die beschikken vaak nog niet over de vereiste toelatingen. Men bekijkt wel hun microbiologische efficiëntie, maar is dikwijls blind voor de andere aspecten - zoals milieu en veiligheid - die eveneens in rekening moeten worden gebracht. Daarnaast komen enzymatische reinigingsmiddelen tegenwoordig steeds meer onder de aandacht, maar studies hebben aangetoond dat de impact op de gezondheid van de gebruikers daarvan wordt onderschat."

Koen De Reu: “Bij gebrek aan een wettelijk kader worden er veel claims geuit door producenten van die alternatieve middelen, maar de eigenlijke bewijzen blijven veelal uit. Ook een probiotische reiniging - waarbij goede bacteriën worden toegediend om de slechte bacteriën te elimineren - wordt dikwijls genoemd als een alternatief voor de klassieke reiniging en desinfectie. Daar hebben wij met het ILVO zelf onderzoek naar gevoerd bij een biggenbatterij, maar we moesten concluderen dat deze werkwijze zeker geen betere hygiëne oplevert dan met de traditionele ontsmettingsstap, die bij deze methode wegvalt. Bovendien staat de voedingsindustrie duidelijk huiverachtig tegen het idee om bacteriële sporen te introduceren op de productievloer. Ook hiervoor zie ik dus niet meteen een grote doorontwikkeling."


Frank Devlieghere: “Toch denk ik dat het geen slechte denkoefening is om te kijken of we de desinfectiemiddelen in sommige gevallen achterwege kunnen laten, als die inderdaad te hoge residuwaarden opleveren en de reiniging op zich al een groot bacteriologisch effect heeft. De vereiste microbiologische kwaliteit kan soms ook perfect bereikt worden met natriumloog of een hittebehandeling, waarbij het residuprobleem dan dus ineens van de baan is. Ook organische zuren, zoals citroenzuur, melkzuur, octaanzuur of decaanzuur, kunnen een uitweg bieden. Die mogen ook als voedingsadditief gebruikt worden, wat maakt dat er bij een desinfectie met deze stoffen geen naspoeling vereist is. Dit gebeurt bijvoorbeeld met de messen in slachthuizen, die met melkzuur ontsmet worden. De zuren zijn bovendien beter afbreekbaar en dus ecologischer dan biociden."


TOEKOMST

Lieven De Zutter: “We kunnen besluiten dat je pas goed kunt desinfecteren na een goede reiniging. Het stappenplan voor de reiniging en desinfectie moet strikt gevolgd worden, inclusief de naspoeling. Met het oog op een mogelijke resistentievorming is ook het correcte gebruik van de producten in de juiste concentraties van belang. Voor de nabije toekomst mogen we nog meer aandacht verwachten voor alternatieve desinfectiemiddelen en -methoden die geen residuen achterlaten. Verder moet er werk worden gemaakt van nieuwe, gevalideerde sneltesten voor de residumonitoring. Ook moet er meer inzicht komen in de vraag of de resistentie van bacteriën tegen desinfectiemiddelen al dan niet mogelijk is. En als desinfectiemiddelen op termijn met veldproeven in de praktijk moeten worden getest, dan zullen er meer gedetailleerde - maar hopelijk ook realistische - gebruiksaanwijzingen nodig zijn."