naar top
Menu
Logo Print
Artikel - 29/11/2017

"MEER INNOVATIE, MEER EXPORT"

Waalse voedingsindustrie werkt aan competitiviteit

Net als in Vlaanderen is ook de Waalse voedingsverwerkende sector een belangrijke industriële werkgever. Ook daar staat die sector echter onder druk, dus moet er werk gemaakt worden van een stevige concurrentiepositie. Wagralim, de competitiviteitscluster van de Waalse agrovoedingsindustrie, verstevigt die positie via 'project calls' die leiden tot technologische, management- en marktinnovaties. “Onze aanpak loont, want onze leden zijn effectief competitiever dan het doorsnee Waalse voedingsbedrijf", stelt algemeen directeur François Heroufosse.


Wanneer en met welke doelstelling is wagralim opgericht?

François Heroufosse: “Wagralim is een van de zes competitiviteitsclusters die in 2006 in het leven geroepen zijn in het kader van het Marshallplan, dat de economie in Wallonië een flinke boost moet geven. Naast onder meer luchtvaart, logistiek & transport en duurzame technologie, werd toen dus ook de agrovoedingsindustrie aanzien als een potentiële sector om onze concurrentiekracht op te krikken. Dat doen wij door projecten te begeleiden van aanvang tot valorisatie, net zoals Flanders' FOOD dat doet in Vlaanderen. Waar die projecten bij hen bij universiteiten ontluiken en zo hun intrede moeten vinden in de industrie, is het bij ons wel net andersom. Het zijn de bedrijven die voorstellen lanceren, het leiderschap nemen en een deel van het werkpakket moeten realiseren binnen het consortium, dat telkens uit minstens vier partners bestaat: twee ondernemingen en twee kennisinstellingen. Het gaat daarbij overigens niet louter om onderzoeks-, maar ook om vormings- of investeringsprojecten."

Jullie schrijven die projecten dus niet zelf uit, maar selecteren ze wel?

Heroufosse: “Gedeeltelijk wel, maar er gaat hier ook een onafhankelijke jury over. Die geeft advies aan de Waalse regering, die dan over de financiering beslist. Elk project komt tot stand dankzij een mix van privé- en overheidscenten.

We werken bij die projecten rond drie thema's die we aan de innovatie verankeren. Vooreerst is er nutritie: hoe kun je ingrediënten of levensmiddelen produceren die beantwoorden aan de nutritionele eisen, zoals opgelegd door consumenten of de wetgeving? Daarnaast gaat het om industriële efficiëntie. Hoe kun je efficiënter produceren via andere organisatievormen of technologieën? Tot slot hechten we ook veel belang aan duurzaamheid, waarmee we de link leggen naar de landbouw. Dit gaat trouwens niet louter om het milieu, er is ook een sociaal en een economisch duurzaamheidsaspect.

Deze drie thema's vloeien uiteraard over in elkaar. Wie de levensduur van levensmiddelen verhoogt zonder daarvoor additieven in te zetten, zorgt er tegelijk voor dat er minder voedselverspilling is, en verkleint zo de afvalberg.

Sinds onze opstart hebben we nu veertig projecten in onze portefeuille en momenteel telt ons netwerk zo'n 145 leden. Dat zijn vooral voedingsbedrijven, aangevuld met onderzoekscentra of andere instituten."


Hoe zetten jullie dat netwerk precies in?

Heroufosse: “Het is vooreerst een innovatienetwerk. We zetten regelmatig seminaries en rondetafelgesprekken op waarbij bedrijven en onderzoekscentra met elkaar in contact komen, wat dan kan leiden tot nieuwe samenwerkingen, technologieën, producten of zelfs markten. We krijgen ook geregeld concrete vragen binnen van onze leden, waarbij wij dan op zoek gaan naar de juiste partner voor hen.

In die zin is het natuurlijk ook een expertisenetwerk. Bedrijven kunnen bij ons een welbepaald probleem signaleren waarvoor ze snel een oplossing nodig hebben. Wij duiden dan de juiste technologische expert aan uit ons netwerk van universiteiten. Anderzijds injecteren we vakbekwaamheid onder onze leden door vormingen te organiseren. Denk daarbij dan niet louter aan technologische, maar ook aan organisatorische innovatie. Door managementstrategieën als TPM (Total Productive Maintenance, red.) uit grote internationale bedrijven te vertolken voor voedings-kmo's, leren we hun hoe ze de defecten en dus stilstanden kunnen minimaliseren, om zo de productie en de efficiëntie op te krikken.

Tot slot zetten we ook sterk in op internationalisering. We willen ons netwerk uitdragen tot in Vlaanderen, Europa en zelfs daarbuiten. We maken met onze cluster deel uit van EFA (European Food Alliance, red.) en hebben partners in onder meer Brazilië, Canada en China. Zij kunnen ons helpen om lokaal industriële contacten te vinden voor onze leden, of vervolmaken onze eigen expertise."


Een aanpak die loont?

Heroufosse: “Heel zeker! Het is gebleken dat onze leden effectief competitiever zijn dan het doorsnee Waalse voedingsbedrijf. Ze evolueren sneller, zijn meer bezig met innovatie en kennen meer succes bij nieuwe productlanceringen."


Wat is een recente 'success story' onder jullie projecten?

Heroufosse: “Ik denk spontaan aan het nutritieproject 'Wal-Nut20', waar maar liefst twintig partners aan meewerkten. Zij blijven nu overigens samenwerken binnen het consortium BHIG (Belgium Health Ingredients Group, red.) voor het vermarkten van gezonde ingrediënten; iets waar wij heel trots op zijn."


In hoeverre verschillen de Waalse en de Vlaamse voedingsindustrie van elkaar?

Heroufosse: “Het gaat in beide landsdelen vooral om kmo's, maar hier zijn de bedrijven over het algemeen kleiner en meer actief in nichemarkten. Toch zijn de traditionele sectoren zoals vlees, zuivel, drank, aardappelen en suiker ook bij ons zeker aanwezig bij enkele grotere spelers, zonder daarbij namen te noemen.

Qua troeven denk ik in de eerste plaats aan nutritie, dankzij het pionierswerk rond microbiotica van de UCL (Université Catholique de Louvain, red.). Dat concept is daar ontsproten. Aan de afdeling diergeneeskunde van de universiteit van Luik loopt een onderzoek rond metagenetica en aan de landbouwuniversiteit van Gembloux werkt men ook aan voedingstechnologie. Ik durf te stellen dat wij in sommige onderzoeken vooroplopen op de Vlaamse collega's, ja.

Ook bij ons is de voedingsindustrie een sector die banen creëert. Waar het tien jaar geleden nog om 20.000 jobs ging, zijn dat er nu 21.000. Bovendien bedraagt het netto-exportcijfer 1 miljard euro, dus economisch gezien is ook de Waalse voedingsindustrie van groot belang. Ze is kleiner dan in Vlaanderen, maar de groeicurve is gelijkaardig. Hoe we die positieve evolutie in stand kunnen houden, of zelfs nog kunnen versterken? Meer innovatie, meer export! Dat geldt zowel voor Vlaanderen als voor Wallonië."


Wat brengt de toekomst voor wagralim?

Heroufosse: “Wij blijven inzetten op innovatieve projecten, waarbij we dan vooral dieper willen ingaan op marktinnovaties. Om nieuwe diensten te kunnen opstarten, is het evenwel belangrijk om nieuwe leden te blijven aantrekken, wat resulteert in grotere budgetten. Ook ons vormingsaanbod willen we blijven uitbreiden. In dat kader hebben we onlangs nog geïnvesteerd in een truck die als vleesatelier is ingericht om bij bedrijven ter plekke nieuwe en bestaande werknemers op te leiden, en in een afvullijn voor dranken in Moeskroen. Eerder hadden we al een eigen vormingsinstituut in Verviers. Dit stelt ons in staat om een structureel vormingsaanbod te kunnen bieden."


Meer info: www.wagralim.be